Herontwikkeling Onroerend Goed

terug naar homepage

Voorwoord

Eén van de belangrijkste karakteristieken van onroerend goed is de duurzaamheid en daarmee samenhangend het feit dat onroerend goed voor een langere tijd zijn vorm en bestemming dient te behouden om een rendabele investering te kunnen zijn/blijven. Echter wanneer deze bestemming onaantrekkelijk is geworden voor de potentiële gebruiker, c.q. eigenaar, dan is, naast sloop, herontwikkeling een mogelijke optie. Bestaande panden en terreinen die hun functie dreigen te verliezen en daardoor leeg komen te staan, kunnen op deze manier worden behouden en ingericht voor een nieuwe functie.


1 Inleiding

Vooral sinds het paarse kabinet is aangetreden is er meer aandacht gekomen vanuit het kabinet voor het woon- en werkklimaat van de grote steden, hetgeen is vastgelegd in het Grote Stedenbeleid. Eén van de belangrijke punten daarvan is de fysieke verbetering van de gebouwde omgeving. Gevolg hiervan is dat een aantal projecten van de grond zijn gekomen, zoals de 'Kop van Zuid' in Rotterdam en 'Nieuw Centrum' in Den Haag. Op deze plaatsen worden aantrekkelijke woningen, openbare en bedrijfsruimten toegevoegd, door nieuwbouw dan wel verbouw, vooral op plaatsen welke door de planologische kernbeslissingen, streekplannen en/of structuurplannen zijn bepaald voor deze functies, zoals plaatsen die een goede bereikbaarheid hebben met het openbaar vervoer.

Echter op individueel niveau komen panden in vooral de grote steden minder in het vizier van het Grote Stedenbeleid. Veel aandacht gaat uit naar specifieke gebieden in een stad, maar veel minder naar alleenstaande gebouwen of kleine groepen van gebouwen. Vaak zelfs zijn deze panden als het ware de dupe van de herontwikkeling van gebieden elders in de stad, omdat deze individuele panden hun functie verliezen en leeg komen te staan, zodat buiten de grootschalige herontwikkelingsgebieden de kwaliteit van het stedelijk woon/werkmilieu afneemt. Hetgeen ook weer haar effecten heeft op de herontwikkelingsgebieden.

In de komende hoofdstukken zal daarom worden gekeken naar enkele oorzaken van leegstand en functieverlies van onroerend goed, waarbij ook een licht zal worden geworpen op individuele gebouwen die hun functie verliezen en dus voor vernieuwing, dan wel herbestemming in aanmerking komen. Tevens zal worden bekeken in hoeverre het aantrekkelijk is om bedrijfsterreinen te herstructureren en welke rol de herbestemming van gebouwen daarin kan spelen. Ook zal een blik worden geworpen op de maatregelen en beleidsvisies van de overheid op dit terrein. Als laatste zal een korte samenvatting worden gegeven en zullen enkele aanbevelingen betreffende de besproken problematiek aan de orde komen.


2 Waarom herontwikkelen?

Uit onderzoek blijkt dat de leegstand van kantoren vooral toeneemt in het binnenstedelijk gebied. Ook voor andere leegstaande gebouwen (fabrieksgebouwen, scholen, ziekenhuizen en dergelijken) geldt dat deze voor het grootste gedeelte te vinden zijn in dit gebied. Daarnaast is het zo dat deze panden, veel meer dan in het buitenstedelijk gebied, in veel gevallen een qua architectuur belangrijke functie hebben, of bijvoorbeeld op de monumentenlijst staan. Veelal zijn dergelijke panden een deel van het beschermd stadsgezicht. Voor deze categorie geldt verder dat zij over het algemeen een geheel vormen met de overige bebouwing in dat gebied en ook voor omwonenden een bepaalde 'meerwaarde' hebben, hetgeen voor bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, die niet direct in de omgeving van woonhuizen staan, of panden die geheel solitair zijn opgezet en een puur functionele opbouw hebben, omdat ze niet in een stadsbeeld hoeven te passen, simpelweg vanwege het feit dat deze gebouwen buiten de stadsbebouwing zijn neergezet, niet geldt.

Voor onder andere kantoorgebouwen geldt verder dat de leegstand vooral ontstaat aan de 'onderkant' van de markt. Dit gedeelte van de kantorenmarkt heeft betrekking op een vraaghuur tot zo'n 200 gulden per vierkante meter. Herontwikkeling/bestemming zal dus de gemiddelde kwaliteit van bijvoorbeeld kantoren doen verhogen, waarbij (beleidsmatig) ook kantoren op locaties die goede openbaar vervoer verbindingen hebben een betere kans krijgen op de kantorenmarkt. Op deze wijze kan de overheid niet alleen sturen op de kantorenmarkt, maar is zij ook in staat om, met behulp van subsidiemaatregelen of belastingtechnische maatregelen en desnoods met bestemmingsplanbeleid, een dusdanig beleid te creëren waarbij ongewenste kantoorpanden kunnen worden omgeturnd tot bijvoorbeeld culturele centra of openbare voorzieningen en of andere bestemmingen, en op deze manier een leefbaarder woon/werkmilieu te realiseren, zoals in Nederland, maar ook in andere landen tegenwoordig hoog op de politieke agenda staat. Ontwikkelingen als deze gelden niet alleen voor kantoren, maar voor veel (bedrijfs-) onroerend goed.

Tot nog toe hebben echter alleen Den Haag en Rotterdam initiatieven ontplooid om met een gezamenlijke aanpak tussen overheid en eigenaars werkelijk tot herbestemmingsplannen te komen. De gemeenten hopen op deze manier de verpaupering tegen te gaan en (leegstaande) kantoorgebouwen op, volgens het gemeente-/Rijkslokatiebeleid, minder geschikte plaatsen een nieuwe bestemming te geven. Zij kan op deze manier sturend optreden in het vestigingsbeleid van bedrijven.

Naast de vele kantoorgebouwen die leeg komen te staan als gevolg van het overaanbod of technische en/of economische veroudering, zijn er natuurlijk nog vele andere soorten onroerend goed, welke in de loop van de tijd hun functie hebben verloren omdat de bedrijfstak waarvoor zij gebouwd waren historie is geworden (zoals bijvoorbeeld het industrieel erfgoed). Tevens is er vaak sprake, vooral in binnenstedelijke gebieden, van 'economische en geografische leegstand' als gevolg van technische modernisering van de maatschappij en nieuwe distributievormen. Ook is de stedelijke uitbreiding vaak de oorzaak van leegstand in vooral fabrieksgebouwen die vroeger aan de rand van de stad waren gesitueerd, maar door de stadsvergroting in de laatste decennia zich nu binnen de stadsbebouwing bevinden en niet langer economisch verantwoord kunnen worden geëxploiteerd. Ook vanuit milieutechnisch oogpunt is het voor veel bedrijfslocaties niet langer verantwoord om hun oorspronkelijke bestemming te behouden. Overlast en verontreiniging spelen hierbij een belangrijke rol (zie bijvoorbeeld de huidige discussie rondom de Houthavens in het Amsterdamse westelijk havengebied, waarbij bedrijvigheid en het woonklimaat met elkaar in botsing komen).

Veroudering van gebouwen en terreinen kent dus grof gezegd een tweetal oorzaken, namelijk: sociaal-economische oorzaken en wijzigende eisen in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. Bij sociaal-economische oorzaken gaat het vooral om het wegvallen van bepaalde bedrijfstakken en stedelijke/economische veranderingen. Bij de ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om veranderende eisen die worden gesteld aan gebouwen en terreinen. Hieronder dienen dan ook milieutechnische aspecten te worden verstaan.


3 Herstructurering

Eén van de mogelijkheden bij de herontwikkeling van onroerend goed is het herstructureren van groepen gebouwen en eventueel ook de infrastructuur rondom deze gebouwen. Het komt er hierbij in feite op neer dat bijvoorbeeld een bedrijvenpark dat verouderd is, als gevolg van veranderde technische en functionele eisen, grondig wordt vernieuwd op basis van een betere infrastructuur en het slopen van een aantal verouderde gebouwen. Deze nieuwe infrastructuur dient zo te worden aangelegd dat het voor bedrijven weer aantrekkelijk wordt te investeren in dit gebied, waarbij met name moet worden gedacht aan betere parkeermogelijkheden en een vaak ruimere opzet van de gebouwen. Dit betekent dan ook in veel gevallen dat er een aantal gebouwen dient te sneuvelen om het geheel een betere uitstraling te geven en de mogelijkheden van het gebied beter te kunnen benutten. Bij deze herstructureringsprocessen is het beleid er vaak op gericht dat de functie en dus de bestemming van het gebied dezelfde dient te blijven. In dit opzicht is het dan ook fundamenteel verschillend van herbestemming, waarbij men juist de functie van het gebied of gebouw wil veranderen.


3.1 Herstructurering van een gebied

Sinds het begin van de jaren tachtig is onder andere Amsterdam, maar ook de andere grote gemeenten, bezig een aantal verouderde bedrijfsterreinen te verbeteren. Men is hiertoe gekomen vanwege het inzicht dat ook deze terreinen onderhevig zijn aan de zogenaamde levenscyclus. Tot op zekere hoogte kan een terrein of een groep gebouwen in zijn functie voorzien door middel van een goed onderhoud. Echter na verloop van tijd is dergelijk onderhoud niet meer voldoende en dient er grondig vernieuwd te worden. Na gemiddeld zo'n 25 jaar en tegenwoordig wordt deze termijn steeds korter, dient men over te gaan tot een ingrijpende herstructurering van de gebouwen maar ook de omliggende infrastructuur. Wanneer dit niet op tijd gebeurt dan wordt de situatie steeds slechter en dient men na verloop van tijd over te gaan tot gehele sloop van de gebouwen en is men genoodzaakt om een geheel nieuw gronduitgifteproces te starten, hetgeen wordt veroorzaakt door het feit dat bedrijven eerder wegtrekken uit het gebied, vanwege de grote verslechtering van het gebied, waarbij de functie die de gebouwen vervullen steeds minder wordt en op den duur hun functie totaal verliezen.

Door nieuwe investeringen in het gebied, door met name de overheid, in onder andere verandering en verbetering van de infrastructuur, parkeergelegenheden en de inrichting van de openbare ruimte, kunnen de gebouwen weer aantrekkelijk worden gemaakt voor het bedrijfsleven. Op deze manier is het mogelijk om bedrijven, die het plan hebben om weg te trekken uit het gebied, ervan te weerhouden een nieuwe vestigingsplaats te zoeken en juist te overtuigen van het feit om weer nieuwe investeringen te doen in het gebied waar zij zich nu bevinden. Hierbij kan de overheid dus een motor zijn voor het aantrekken van het gebied en de verbetering van het woon/werkklimaat aldaar. Er vindt als het ware een belangrijke opwaardering plaats van het gebied of omgeving. Deze werkwijze wordt ook vaak toegepast in woonwijken, welke na verloop van tijd niet meer aan de eisen voldoen en er grote ingrepen noodzakelijk zijn. Wanneer dit niet wordt gedaan, dan is een stadsvernieuwingsproject noodzakelijk.


3.2 Herstructurering van gebouwen

Niet alleen de omgeving van gebouwen is na verloop van tijd aan een grondige opknapbeurt toe, ook de gebouwen op zich dienen op een gegeven moment te worden opgewaardeerd. Dit kan gebeuren door een individuele eigenaar c.q. gebruiker of door een groep van gebruikers/eigenaars, waarbij een geheel van gebouwen wordt geherstructureerd. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan het voormalig NMB gebouw in Amsterdam Zuid, waarbij het gebouw, zowel aan de binnen als buitenzijde, een dusdanige verjongingskuur heeft ondergaan, dat er sprake is van een totaal vernieuwd en geherstructureerd gebouw. Niet alleen het uiterlijk is aan deze kuur onderworpen, maar ook het gehele interieur is grondig verbouwd om aan de nieuwe eisen van functionaliteit en uitstraling te voldoen. Dit in tegenstelling tot een renovatie waarbij de opzet in principe dezelfde blijft.

4 Herbestemmen

Een andere optie is het herbestemmen van gebouwen, dan wel terreinen. Het gaat hierbij om individueel of groepen van onroerend goed, welke haar functie heeft verloren of dreigt te verliezen, waardoor doorexploiteren niet langer gewenst of rendabel is. De huidige bestemming is om een bepaalde reden niet langer haalbaar en dus is, naast sloop, een verandering van de bestemming de enige uitweg. Bij herbestemming kan men denken aan verandering in het gebruik, waarbij het gebouw op zich niet ingrijpend wordt vernieuwd, zoals dat bijvoorbeeld het geval is wanneer een supermarkt haar gebouw afstaat aan een videotheekhouder of een confectieketen. In dat geval blijft de 'onderliggende' bestemming dezelfde, namelijk detailhandelsbedrijf. Daarnaast is het uiteraard mogelijk om een gebouw 'werkelijk' een nieuwe bestemming te geven, waarbij de functie fundamenteel veranderd. Voorbeelden hiervan zijn de Amstelkerk en Vondelkerk in Amsterdam welke zijn omgebouwd tot kantoorgebouw, de Martinuskerk in Utrecht welke is ingericht tot appartementencomplex, en Kasteel "Holtmühle" in Tegelen welke als nieuwe bestemming de functie van hotel heeft gekregen. Deze laatste uitleg van herbestemmen is de voor de herontwikkeling van onroerend goed meest interessante, niet in de laatste plaats omdat de eerste vorm, waarbij de functie van het gebouw niet direct veranderd, al sinds jaar en dag wordt toegepast. Het is ook niet direct een vorm van herontwikkeling. In het vervolg zal onder herbestemming dan ook de laatste vorm worden verstaan.

Herbestemming wordt in de praktijk nog niet erg vaak toegepast. De oorzaak hiervoor is waarschijnlijk het feit dat de persoon die over de eventuele herbestemming beslist vaak ook de gebruiker van het onroerend goed is. Hij zal niet snel geneigd zijn het onroerend goed een andere bestemming te geven, omdat zijn gebruik maar één bestemming toelaat. Men kan van een detaillist, industrieel of dienstverlener niet verwachten dat hij of zij het onroerend goed waarin hij of zij is gevestigd een andere bestemming geeft. Het is daarom ook een taak van de belegger of de overheid om de mogelijkheden van herbestemming serieus te bekijken en in praktijk te brengen.

De overheid kan op dit gebied echter vooral op planologisch en belasting/subsidietechnisch gebied haar invloed uitoefenen. Op planologisch gebied kan zij een katalisatiefunctie vervullen door de bestemmingsplanprocedure te versnellen of te vereenvoudigen. Men kan dit doen door tijdig in te springen bij mogelijke herbestemmingsgebieden of gebouwen, doordat men bijvoorbeeld het bestemmingsplan voorziet van meerdere mogelijke bestemmingen, zoals bijvoorbeeld kantoor- en woonfunctie. Met behulp van subsidieregelingen betreffende monumentenbehoud en verbetering of subsidieregelingen omtrent het omzetten van leegstaande kantoorpanden tot woningen kan de overheid een aanzet geven aan beleggers en andere onroerend goed bezitters om eerder tot herbestemming over te gaan. Ook kan de overheid bij de herbestemming van bijvoorbeeld oude fabrieksgebouwen tot culturele voorzieningen inspringen door als het ware een 'verhuursubsidie' te verstrekken aan beleggers die een dergelijke herbestemming overwegen. Het zelfde geldt uiteraard voor andere publieke voorzieningen. Daarnaast kan zij uiteraard met behulp van de Rijksgebouwendienst een bijdrage leveren aan de herbestemming van gebouwen. Tevens is er in de afgelopen jaren door het Ministerie van VROM een groot aantal gebouwen ingezet voor de opvang van asielzoekers. Voorbeelden hiervan zijn oude legerkazernes langs de Maas in Roermond in Haarlem en in Den Bosch. Ook enkele bungalowparken en campings (bijvoorbeeld in Luttelgeest, Putten, Lunteren en 's-Gravendeel) zijn hiervoor ingericht en/of verbouwd, evenals een gevangenis in Amersfoort en ziekenhuizen in Leersum en Goes.

Voor beleggers gelden andere normen dan voor de overheid voor wat betreft herbestemming. De belegger is er in eerste instantie op uit om een zo hoog mogelijk rendement te behalen uit de investering die hij doet of heeft gedaan. De belegger zal dus alleen tot herbestemming over gaan wanneer dit een hogere contante waarde van zijn toekomstige cash flows tot gevolg heeft. In principe heeft de belegger een viertal keuzemogelijkheden wanneer zijn huidige investering onvoldoende rendement oplevert, namelijk:
1. desinvesteren
2. doorexploiteren
3. renoveren
4. slopen
5. herbestemmen

Bij het maken van bovenstaande keuze, dient de belegger zich af te vragen hoe de situatie zal veranderen indien hij overgaat tot één van de genoemde mogelijkheden. Het gaat hierbij om veranderingen van technische, financiële, sociale en milieutechnische aard. De belegger dient zich te realiseren dat de verandering van de bestemming op zich zijn invloed op genoemde facetten heeft. Men kan zich manoeuvreren tussen leegstand op bijvoorbeeld de kantorenmarkt en schaarste op de woningmarkt. Een betere verhuurbaarheid van het betreffende onroerend goed dient op te wegen tegen de kosten van de herbestemming. In het algemeen zal het zo zijn dat herbestemming alleen dan aantrekkelijk is, wanneer de kans op verhuurbaarheid van het onroerend goed in de huidige staat en dus voor de huidige bestemming nihil is.

Het is duidelijk dat de belegger dient te worden geprikkeld met behulp van financiële prikkels door de overheid, waarbij vooral subsidies en belastingvoordelen als eerste in aanmerking dienen te komen. Daarnaast dienen de kosten van de bestemmingsplanprocedure zo laag mogelijk te worden gehouden, om op deze manier ook deze (belangrijke) drempel weg te nemen. Het betreft hier dan niet alleen de kosten van de procedure zelf, maar ook het tijdsverlies dat men oploopt met deze procedure. Het zou daarom aan te bevelen zijn om de procedure eerder te laten starten door de overheid zelf, bijvoorbeeld wanneer zij voor bepaalde gebieden/gebouwen een herbestemming verwacht of wenselijk acht.


5 Het te voeren beleid bij herontwikkeling

Het beleid ten aanzien van onroerend goed en terreinen zoals in vorige hoofdstukken genoemd dient in de eerste plaats te zijn gericht op het behouden en stimuleren van de werkgelegenheid en het versterken van de economische concurrentiepositie. De positie van de werkgelegenheid in de oudere delen van de stad dient te worden beschermd en er dienen gevarieerde en goed gesitueerde vestigingsmogelijkheden beschikbaar te zijn voor hervestiging en het aantrekken van bedrijven. Daarnaast is een belangrijk speerpunt van beleid ten opzichte van deze locaties dat er een beter en dus aantrekkelijker woonklimaat dient te worden geschapen binnen een stad. Door het verbreden van bijvoorbeeld de openbare en culturele voorzieningen in een bepaalde omgeving kan de stad weer aantrekkelijker worden gemaakt om in te wonen, waardoor ook het investeringsmilieu voor bedrijven weer aantrekt. In de meeste steden is het beleid met name gericht op het optimaal benutten van de bestaande locaties, terwijl ook herbestemming tot de mogelijkheden behoort. Dit beleid is dus niet per definitie gericht op het behouden van de huidige bestemming van de locatie.

Een stad is geneigd haar bedrijfsterreinen aan de rand van het gebouwde gebied te situeren. Vaak is de stad inmiddels over deze terreinen heen gegroeid en zijn ze op een (meer) centrale plek in stad komen te liggen. De oudere bedrijven en bedrijfsterreinen, welke op korte afstand van de binnenstad liggen en binnen, dan wel tegen woonwijken aan liggen, zijn dan ook van grote waarde voor het leefklimaat van de stad. Het nieuw leven in blazen hiervan is van groot belang voor de lokale economie en werkgelegenheid. Door intensivering van het terreingebruik kunnen oudere bedrijfsgebouwen en terreinen een rol spelen bij het voorzien in de lokale vraag naar vestigingsmogelijkheden voor bedrijven, maar ook voor onder andere culturele en/of openbare voorzieningen en eventueel woningbouw als nieuwe bestemming.

Voor een duidelijke verbetering van het woon/werkklimaat in genoemde gebieden dient dus mijns inziens te worden gezocht naar een voor alle partijen respectabele/gewenste balans tussen bedrijfslocaties enerzijds en openbare en culturele voorzieningen en woningen anderzijds. Het is duidelijk dat hiervoor offers moeten worden gelaten door het bedrijfsleven voor wat betreft de wil om zich in de binnenstad te kunnen vestigen, al hoewel deze ontwikkeling zich steeds meer naar de achtergrond begeeft.


6 Beleidsvisies van Rijk en gemeente

In dit hoofdstuk zal worden getracht enige beleidsvisies, betreffende herontwikkeling van gebouwen en terreinen, van de overheid, met name van het Kabinet en de gemeente Amsterdam uiteen te zetten. Er zal naar aanleiding van een aantal nota's een beeld worden geschapen van het door de overheid gevoerde en te voeren beleid, alsmede de achterliggende gedachten daaromtrent. Met name zal worden gekeken naar het "Convenant Grote Stedenbeleid", het "Structuurplan Open Stad 1996" en de nota "Programma Herstructurering Bedrijfsterreinen".

6.1 Convenant Grote Stedenbeleid

In het Convenant Grote Stedenbeleid, dat werd getekend door de vier grote steden en het kabinet is één van de volgende kernpunten opgenomen: "De bedrijvigheid in de steden moet toenemen. Tevens moet worden voorkomen dat in de steden en in het bijzonder in delen van de steden een tweedeling langs sociaal­economische, maatschappelijke en etnische lijnen realiteit wordt. Het moet dan ook duidelijk worden dat alle onderscheiden bevolkingsgroepen in gelijke mate in de effecten van onze gemeenschappelijke beleidsinspanningen delen", en "Het Kabinet en de steden zetten met dit Convenant Grote Stedenbeleid een eerste concrete stap om de economische en sociale functies van de stad te versterken. Hun gezamenlijke inspanning is erop gericht in deze kabinetsperiode te komen tot zichtbare en meetbare resultaten op elk van de door de steden aangedragen thema's", namelijk:

- werken en onderwijs: "de langdurige werkloosheid, vooral geconcentreerd in de achterstandswijken, moet merkbaar verminderd zijn. Het onderwijs moet een betere toegang geven tot de arbeidsmarkt";
- veiligheid: "in de objectief vast te stellen onveiligheid en in de door stadsbewoners en ­bezoekers ervaren onveiligheid op straat dient een omslag te worden gerealiseerd";
- leefbaarheid en zorg:" de leefbaarheid van achterstandswijken en van de stad als geheel dient reëel verbeterd te zijn".

Met name de leefbaarheid en het aanpakken van de werkloosheid in de grote steden (met name in de achterstandswijken) is in het kader van dit werkstuk van belang. Voor wat betreft de genoemde punten vinden beide partijen het van belang om " in de grote steden experimenten te starten om innovatief beleid op zijn effecten te toetsen. Het effect ervan zal vooral op stadsdeel­, wijk­ en buurtniveau merkbaar moeten worden" en "door de versterking van de regiefunctie van de gemeenten moet voorts worden bereikt dat de problemen van de grote stad effectiever worden aangepakt".

Een belangrijke uiteindelijke doelstelling op het gebied van werk zoals het convenant die noemt is dat er sprake zal moeten zijn van "van een substantiële groei van het stedelijke midden­ en kleinbedrijf" waarbij "revitalisering van binnenstedelijke bedrijfsterreinen" een belangrijke factor zal moeten vormen. Tevens wordt als onderdeel van het actieplan Economie en Werk een poging gedaan om door middel van forse deregulering op verschillende terreinen een krachtige stimulans aan het midden­ en kleinbedrijf te geven. Ook worden er "voorstellen onderzocht om met behulp van fiscale instrumenten de bedrijvigheid in (delen van) de steden een extra impuls te geven".

Er ligt hier dus een duidelijke taak voor de gemeenten om eigen initiatief te tonen bij het creëren van nieuwe mogelijkheden om genoemde doelstelling te realiseren. Vooral goede samenwerking en overleg met particuliere eigenaars c.q. beleggers is hierbij van groot belang.

Voor wat betreft de leefbaarheid in de steden dienen "in het overleg tussen het rijk en de corporaties afspraken te worden gemaakt over de mate waarin corporaties eigen middelen kunnen inzetten ter bevordering van de bereikbaarheid van woningen voor de doelgroep en voor investeringen in de woonomgeving. Hierbij betrekt het rijk ook het voorstel van de landelijke centrales van woningbouwcorporaties om om en nabij 100.000 woningen met een huur tot circa fl 700 te bouwen in de periode 1996-2000" en "om ruimtelijke segregatie tegen te gaan zullen in de bestaande wijken vooral koop­ en/of duurdere woningen worden gebouwd". Ook zal er besluitvorming komen, gericht op versoepeling van het Inrichtingen­ en Vergunningenbesluit van de Wet milieubeheer, plaatsvinden ten behoeve van kleine bedrijven met weinig of geen milieu­effecten.

Het gehele pakket van maatregelen wordt gefinancierd vanuit het Rijk. Voor elke categorie maatregelen wordt een bepaalde 'financieringssleutel' toegepast zodat de steden als het ware worden afgerekend op basis van haar prestaties. Naar verwachting zullen hierdoor echter vooral de niet al te kleinschalige plannen voor honorering in aanmerking komen.



6.2 Structuurplan Amsterdam Open Stad 1996

Voor de gemeente Amsterdam is er "de inspanningsverplichting om ruim 36.000 woningen te bouwen in Amsterdam tot 2005. Van deze taakstelling moeten 24.500 woningen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied". De ruimtelijke capaciteit om deze binnenstedelijke taakstelling te verwezenlijken, is echter bedenkelijk klein. Bovendien is duidelijk geworden dat er een aanzienlijk 'afbreukrisico' is bij enkele grote binnenstedelijke herbestemmingslocaties (namelijk Houthavens, Olympisch Stadion en het Zeeburgereiland). Het aantal werkelijk te realiseren woningen is beduidend lager dan in eerste instantie werd aangenomen. Toch dient er een forse uitbreiding van met name de goedkopere woningen te komen. Woningbouw op de locaties Houthavens, Zeeburgereiland en NSM­terrein (alhoewel de gemeente voor deze laatste niet veel voelt) is één van de mogelijkheden, maar ook kwantitatief mindere uitbreidingen zullen moeten worden aangepakt om in de taakstelling te slagen. Niet in de laatste plaats vanwege de volgende doelstelling: "Woningbouw op deze locatie mag de economische kracht van nabij gevestigde bedrijven niet schaden" en " De milieunormen op het gebied van geur en geluidshinder zullen niet mogen worden overschreden."

Voor wat betreft de IJ-oevers lopen de standpunten van de verschillende stadsdelen uiteen. De Werkgroep Amsterdam­Noord stelt dat voor de noordelijke IJ­oever "een geleidelijke accentverlegging naar bedrijvigheid die te combineren is met de woonfunctie" gewenst is. Tevens stelt de werkgroep dat er "een integrale visie" moet komen "op de samenhang tussen de noordelijke en zuidelijke IJ­oever". Ook Amstelveen vindt woningbouw een reële optie. Echter de centrale stad ziet meer heil in een concentratie van bedrijvigheid, vooral om het havengebied een beter (internationaal) imago te geven. Woningbouw wordt op korte termijn alleen wenselijk geacht rond de Sixhaven. Ook bij het NSM-terrein lopen de visies uiteen. Noord wil graag woningbouw terwijl het structuurplan dit dus ongewenst acht.

Op het gebied van de herontwikkeling tot woningen geldt dat "de beslissing om bij stadsvernieuwing sloop/nieuwbouw toe te passen, is een verantwoordelijkheid van het stadsdeel (voorzover het geen bijzonder stads­ of dorpsgezicht betreft). Het realiseren van betaalbare woningbouw met een aanvaardbare financiële dekking ligt hieraan vaak ten grondslag". Een directe poging van de centrale stad om tot herontwikkeling te komen is dus niet aan de orde.

Zoals in het structuurplan staat vermeld, richt het beleid zich op het "doorbreken van monofunctionaliteit van gebieden. Een betere menging van functies kan een bijdrage leveren aan de levendigheid van het gebied en daarmee een meer sociaal veilige omgeving. Daartoe worden in bestemmingsplannen beperkt mogelijkheden geboden voor het realiseren van voorzieningen, waaronder horeca en winkels". Op zich een goede gedachte, maar waarom niet een streven naar een zo groot mogelijke functiemenging voor alle gebieden, waarbij milieuvriendelijke bedrijvigheid, wonen en culturele en openbare voorzieningen in een harmonieus geheel kunnen bestaan. Om deze functiemenging te kunnen realiseren, dienen de bestemmingsmogelijkheden van terreinen bij voorbaat geschikt te zijn voor de creatieve oplossingen, welke zo hard nodig worden geacht.

Over het algemeen is de strekking van het structuurplan dat "er met name in de ontwikkelingsperspectieven zal moeten worden nagedacht over creatieve manieren voor verdere verdichting in de stad. De mogelijkheden hiervoor moeten echter niet worden overschat. Oplossingen stuiten vaak op financiële, stedebouwkundige, milieuhygiënische of andere belemmeringen". Het structuurplan trekt echter de conclusie dat op korte termijn de grenzen van het vinden van creatieve oplossingen in en aan de stad in zicht zijn.



6.3 Programma Herstructurering Bedrijfsterreinen

1995-2000

Om het vestigingsklimaat voor bedrijven in Amsterdam te verbeteren is in opdracht van de gemeente Amsterdam het zogenaamde 'Programma Herstructurering Bedrijfsterreinen 1995-2000' opgezet. Er wordt hierin een groot aantal maatregelen en taakstellingen neergelegd, welke het geheel een serieuze en voortvarende indruk geeft. Echter de reële uitwerking van dergelijke plannen wordt onder andere door de voor de vorige nota (Structuurplan) verantwoordelijke wethouder al in twijfel getrokken. Hij zegt: "Plannen voor herstructurering van bedrijfsterreinen zijn erg ambitieus. Hierdoor worden mogelijk te hooggespannen verwachtingen gewekt. Herstructurering en revitalisering zijn erg kostbaar en tijdrovend. In samenhang met herstructureringsplannen zou ook bodemsanering moeten worden bekeken". Laten we de nota eens onder de loep nemen.


Zoals eerder al genoemd is het beleid voor bedrijfsterreinen gericht op het behouden en stimuleren van werkgelegenheid en het versterken van de economische concurrentiepositie van Amsterdam. Hierbij wordt er vooralsnog naar gestreefd aan alle soorten bedrijvigheid ruimte te bieden. Dit vereist een gevarieerd aanbod van bedrijfsterreinen, dat optimaal aansluit bij de vestigingsplaatseisen van de verschillende bedrijfssectoren. "Het Amsterdamse investeringsbeleid voor bedrijfsterreinen is in de eerste plaats gericht op het optimaal benutten van bestaande locaties. Behoud, vernieuwing, herstructurering en herinrichting van oudere bedrijfsterreinen in de stad speelt daarbij een belangrijke rol". "In Amsterdam komen van de oudere bedrijfsterreinen 17 terreinen in aanmerking voor herstructurering. Het Gemeentelijk Grondbedrijf coördineert de verdere uitvoering van de plannen." De intentie hiervan lijkt op het eerste gezicht een goede, maar, zoals al in het begin van dit werk werd geconstateerd, de individuele panden vallen grotendeels buiten deze doelstelling.

De grondgedachte achter deze nota is: "Herstructurering van bedrijfsterreinen voorkomt het optreden van extensief grondgebruik, dat onherroepelijk leidt tot herbestemming van deze terreinen, met als gevolg een verlies aan arbeidsplaatsen en een extra ruimtebehoefte voor bedrijven aan de rand van de stad. Door herstructurering kan namelijk worden voldaan aan een deel van de vraag naar bedrijfsterreinen. Deze hoeven dan niet aan de rand van de stad te worden aangelegd. Hiermee wordt bereikt dat het Groene Hart wordt gespaard en toename van de omvang van het woon­werkverkeer wordt voorkomen. Aangesloten wordt bij de gedachte van de compacte stad" en "Behoud, vernieuwing, herstructurering en herinrichting van oudere bedrijfsterreinen zijn daarom noodzakelijk, zeker doordat omwille van woningbouw reeds aanzienlijke oppervlakten bedrijfsterrein worden herbestemd. Het programma van herontwikkeling en intensivering van verouderd bedrijfsterrein zal worden voortgezet".

Het is echter niet een keuze tussen de huidige bestemming of een totaal andere bestemming voor het gehele terrein. De keuze is niet zo zwart-wit als in bovenstaande naar voren komt. Mijns inziens dient men juist te streven naar een combinatie van herstructurering en herbestemming. Een aanpak die meer effect zal hebben op de leefbaarheid van dergelijke in de stad gelegen oude bedrijfsterreinen, dan de voorgestane grootscheepse opwaardering van bedrijfsvestigingen. Eén van de redenen om niet tot woningbouw over te gaan is wellicht de zwaardere norm die daarvoor geldt wat betreft de bodemverontreiniging. Bij de financiering van de herstructureringsplannen is niet zonder reden de stelpost bodemsanering weg gelaten. "Het herroepen van deze uitsluiting leidt slechts tot nog meer claims op de beperkte financiële ruimte" en "in Nederland geldt het principe: de vervuiler betaald", zo is de redenatie. Het zou echter duidelijk moeten zijn dat dergelijke problemen niet langer naar de toekomst dienen te worden geschoven. Juist op deze binnenstedelijke gebieden is bodemverontreiniging een groot probleem, hetgeen één van de hoogste prioriteiten zou moeten hebben. Bodemsanering zou een gegeven moeten zijn.

Er kan worden gezegd dat de genoemde nota een mooi aanknopingspunt had kunnen zijn voor een verdere intensivering van herbestemming van zowel terreinen als individuele gebouwen. Het lijkt er echter op dat de nota op dit punt de plank geheel mis slaat.

Vooral op het gebied van de woon/werkklimaat van de stad zijn er nog een aantal andere nota's en projecten die van belang zijn (maar in het kader van dit werkstuk niet zullen worden besproken), namelijk:

- Vierde nota over de ruimtelijke ordening extra (Vinex);
- BELSTATO;
- Project Stad en Milieu;
- Advies Commissie­Welschen inzake systeemkeuze bodemsanering;
- Project MDW (in het bijzonder rapportage werkgroep Inrichtingen en Vergunningenbesluit).


7 Voorbeelden van herontwikkeling

In dit hoofdstuk zal kort worden ingegaan op een aantal mogelijkheden bij herbestemming. Het gaat hierbij dan om de nieuwe bestemming die gerealiseerd kan worden na herontwikkeling. Er wordt in dit verband niet zo zeer gekeken naar de fysieke eigenschappen van het onroerend goed, maar puur naar rendabele of (politiek) gewenste bestemmingen. De vraag of een dergelijke bestemming in werkelijkheid al dan niet rendabel is valt buiten het bereik van dit werkstuk en dient dan ook niet als leidraad in onderstaande voorbeelden. De enige vraag die gesteld kan worden is de vraag of een dergelijke nieuwe bestemming gewenst is voor de eigenaar/gebruiker, de belegger of de omgeving. De voorbeelden die zullen worden gegeven, zijn over het algemeen praktijkvoorbeelden en dienen alleen als illustratie van de eventuele mogelijkheden op dit terrein. Ze zijn ook zeker niet limitatief, met lef en een ruimdenkende geest zijn er nog vele andere mogelijkheden denkbaar, welke in de toekomst naar mijn mening verder dienen te worden onderzocht, vanwege het feit dat herontwikkeling een belangrijke verbetering van het woon/werkklimaat en de gebouwde omgeving kan bewerkstelligen.


7.1 Goedkope woningen

Een ieder die de demografische ontwikkeling van Amsterdam ziet, kan voorspellen dat het aantal jongeren in de iets verdere toekomst enorm zal toenemen. De categorie heel goedkope woningen, welke vaak door jongeren worden bezet (vooral in studentensteden), zit voor een groot deel in de particuliere voorraad en dat deel wordt met de huurverhogingen in snel tempo verkleind. Voor het deel dat bij de corporaties zit, geldt dat die nu vooral de doorstromers als enige doelgroep hebben en dus niet zo zeer de studenten. Ook geldt dat de kwaliteit in de binnenstad inmiddels zo hoog is geworden bij de woningen voor de doelgroep van doorstromers, dat de mutatiegraad nul is.

Enkele grote gebouwen blijven in aanmerking komen voor genoemde groep, maar dan moet men speciaal naar de ligging kijken. Er dient daarbij niet zo zeer te worden gekeken naar megagebouwen aan de buitenzijde van de stad, als bijvoorbeeld in Zuidoost of Diemen, want dat is niet direct wat de markt prefereert. Als genoemd gebouw beschikbaar komt, moet naar een mogelijke bestemming worden gekeken, als woningbouw voor nieuwkomers.

Voor een totaalbeeld van de woningmarkt zou men veel meer moeten kijken naar het feit, dat een groot deel van de woningen met een huurprijs tot ¦ 300,- boven dit bedrag is gestegen door kwaliteitsverbetering en diverse autonome huurstijgingen. Woningen voor starters/nieuwkomers, die niet direct doorstromers hoeven te zijn, kunnen van wat lagere kwaliteit zijn, met een lagere huur en minder vierkante meters.



7.2 Culturele voorzieningen

In Amsterdam, maar ook in de andere grote steden is de behoefte aan culturele voorzieningen steeds sterker geworden. Vooral is er een tendens ontstaan naar terreinen die geheel voor deze functie worden opgezet.

Eén van de voorbeelden hiervoor is 'Nieuw Centrum' in Den Haag, waarbij een groot aantal culturele voorzieningen bijeen worden gebracht in het centrum van de stad. Dans, opera, theater en bioscopen, maar ook de middenstand en dienstverlenende bedrijven op dit gebied worden geconcentreerd in een dergelijke omgeving. Zaken als een goede parkeergelegenheid worden hierbij goed in de gaten gehouden om een goed resultaat te bewerkstelligen. Het geheel resulteerde in een geslaagd project, waarbij de invloed van de lokale overheid van grote betekenis is geweest.

In Amsterdam is ook een dergelijke tendens waar te nemen. Wanneer men kijkt naar de ontwikkelingen rondom de voormalige Westergasfabriek in stadsdeel Westerpark, dan ziet men dat zowel bewoners als de overheid en bedrijfsleven met een gezamenlijke aanpak tot een mooi initiatief kunnen komen. Het plan zoals dat er op dit moment ligt komt er in grote lijnen op neer dat er een groot cultureel centrum moet ontstaan, waarbij niet alleen ruimte wordt geschapen voor grootschalige optredens als theater en dergelijken, maar ook ateliers beschikbaar komen voor kunstenaars op allerlei terreinen. Bij het realiseren van deze nieuwe bestemming wordt er zo veel als mogelijk van de oude panden behouden en ook de stijl van de bebouwing blijft ongewijzigd. Ook hier is met name met de parkeermogelijkheden rekening gehouden, evenals de ontsluitingsmogelijkheden. Het terrein is op korte afstand gesitueerd van de ringweg A10. Mede vanwege het feit dat dergelijke terreinen een verzamelfunctie op het gebied van kunst en cultuur hebben is het succes van zulks een herbestemming eerder te bereiken. Dergelijke 'themaparken' hebben, wanneer het aantrekken van de gebruikers van het onroerend goed op zo'n bestemming goed verloopt/verlopen is, een duidelijke aantrekkingskracht op de bezoekers. De bekendheid onder 'het publiek' is bij dergelijke terreinen vaak groter dan dat dat bij solitaire gebouwen het geval is.


7.3 Kerkgebouwen

De huidige bevolking van Nederland is niet meer zo kerkelijk ingesteld als dat vroeger ooit het geval was. Daarnaast is de christelijke Nederlandse bevolking niet meer de trouwe kerkganger van weleer. Het aantal kerkbezoeken is de laatste jaren in enorm tempo af genomen. Hierdoor is het voor de kerkgemeenten nauwelijks meer mogelijk om nog langer een sluitende begroting te houden. Het onderhoud van de kerken is niet langer betaalbaar. Veel kerken staan dan ook leeg of worden gesloopt, tegen de wil van de kerkgemeente en vaak ook de lokale bevolking. In de periode 1973-1992 zijn er 20 gereformeerde en 103 rooms-katholieke kerkgebouwen buiten gebruik genomen. Dit geeft al aan dat er hier vele mogelijkheden liggen voor herontwikkeling. De architectonische en culturele waarde die vele kerken met zich mee dragen is hiervoor een goede basis. De mogelijke nieuwe bestemming van kerken is vooral gelegen in kantoor en woonfuncties. De voordelen die een dergelijk gebouw heeft wanneer het wordt herbestemd tot bijvoorbeeld kantoor liggen vooral op het gebied van de uitstraling.

Eén van de problemen bij de herbestemming van kerken is dat de overgang van eigendom vaak jaren vergt. Echter wanneer dit traject eenmaal is doorlopen, komen de voordelen aan de oppervlakte, zoals de vaak lage verkoopwaarde (in de praktijk veelal gelijk aan de grondwaarde van vergelijkbare terreinen, gebaseerd op de nieuwe bestemming) en de lage boekverliezen voor de kerkgenootschap zelf.

Voorbeelden van dergelijke herbestemmingen worden steeds talrijker. Genoemd zijn al de Amstelkerk en Vondelkerk in Amsterdam en de Martinuskerk in Utrecht. Ook kerk 'De Heilige Ignasies' op de Rozengracht in Amsterdam is zo'n voorbeeld. Daarnaast is er een aantal kloosters in het zuiden van het land herbestemd. Ook heeft het ministerie van VROM een tweetal kloosters ingezet voor de opvang van asielzoekers, namelijk in Stevensbeek en Spaubeek.


10 Conclusies en aanbevelingen

Geconstateerd is dat er in het huidige beleid van Rijk en gemeenten sprake is van enige tegenstrijdigheid met betrekking tot de wil en noodzaak tot herbestemming en aan de andere kant het werkelijke beleid in casu. Men kan zich daarom afvragen of het huidige Grote Stedenbeleid wel de juiste is en of er niet veel meer, in onderling overleg met het Rijk, gemeenten en ook de individuele eigenaren, geïnvesteerd moet worden in de herontwikkeling van (individuele) panden, die hun functie dreigen te verliezen of zelfs al verloren hebben.

Het is een alom aanvaarde theorie en op reeds veel plaatsen de praktijk dat leegstand leidt tot verpaupering en verloedering. Vooral in gebieden waar kantoorgebouwen door het hoge aanbod leeg komen te staan en waarvan de leegstand door economische groei alleen niet kan worden opgelost, ontstaat een grote verslechtering van het leefklimaat.

Wanneer echter door goede samenwerking met eigenaars/ontwikkelaars, gemeenten en Rijk een tendens kan worden aangevangen, waarbij men structureel de mogelijkheid schept om met behulp van alle drie de partijen deze verpaupering tegen te gaan door middel van herontwikkeling van individuele gebouwen, dan betekent dit een verbetering van zowel woon- als werkklimaat. Daarnaast is de grote kapitaalvernietiging, waarvan sprake is als gevolg van de leegstand en de daaraan gekoppelde verslechtering van het stedelijke woon/werkklimaat, niet of veel minder aan de orde. Het wegtrekken van werkgelegenheid, bewoners winkels en sociale en culturele voorzieningen, allen het gevolg van het slechte investeringsklimaat door de leegstand en verpaupering van gebouwen, wordt tegen gegaan.

Voor bijvoorbeeld kantoorgebouwen geldt verder dat de leegstand vooral ontstaat aan de 'onderkant' van de markt. Dit gedeelte van de kantorenmarkt heeft betrekking op een vraaghuur tot 200 gulden per vierkante meter. Herontwikkeling/bestemming zal dus de gemiddelde kwaliteit van onder andere kantoren doen verhogen, waarbij (beleidsmatig) ook kantoren op locaties die goede openbaar vervoer verbindingen hebben een betere kans krijgen op de kantorenmarkt.
Vooral ook deze ontwikkeling zou voor de overheid de komende jaren de motor moeten vormen voor een intensiever herbestemmingsbeleid van individuele (bedrijfs-)gebouwen die hun functie verloren hebben of dreigen te verliezen.

Gemeenten dienen dus zelf eigenaars van leegstaande of slecht verhuurbare panden te benaderen en te overtuigen van de zin van herontwikkeling/herbestemming. Daarnaast zouden zij een duidelijk aanspreekpunt en samenwerkende partner moeten zijn voor eigenaars van onroerend goed die, vanwege het feit dat hun panden haar functie dreigen te verliezen of leeg komen te staan, herbestemming overwegen. Mede door het in een voorstadium zelf veranderen van bestemmingsplannen door de gemeente, wanneer zij dit wenselijk of noodzakelijk acht ken een duidelijke versnelling en vergemakkelijking worden bereikt.

Voor de Rijksoverheid geldt daarnaast dat zij haar subsidiebeleid aangaande herbestemming zou moeten herzien, zoals bijvoorbeeld het BWS (Besluit Woninggebonden Subsidies) en tevens andere stimulerende maatregelen dient te ontwikkelen als belastingtechnische voorzieningen op bijvoorbeeld het gebied van versnelde afschrijvingsmogelijkheden en verlaging van het Btw-tarief voor gebouwen met de nieuwe functie wonen van 17½% naar 6% en als derde dient er in vervolg op de BELSTATO (Beleidsnota Stadsvernieuwing in de Toekomst) meer aandacht te komen voor herbestemming. Als gevolg van deze stimulerende maatregelen zullen eigenaars als verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en andere beleggers, maar ook individuele bedrijfsmatige eigenaars eerder overgaan tot herontwikkeling van hun onroerend goed. Daarnaast zullen vooral projectontwikkelaars sneller geneigd zijn bestaande panden die leeg komen te staan op te kopen en te herontwikkelen voor een nieuwe bestemming, omdat zij, vanwege de lagere kosten als gevolg van de genoemde stimulerende maatregelen, na herontwikkeling het onroerend goed voor een meer aantrekkelijke prijs in eigendom kunnen laten overgaan aan beleggers of particuliere klanten die dus een lagere kostprijs betalen of een hoger rendement kunnen realiseren.

Daarnaast is er een taak weggelegd voor de gemeenten op het gebied van de woningbehoefte onder (tijdelijke) woningzoekenden zoals bijvoorbeeld studenten. Ik acht het daarom belangrijk deze categorie in de bespreking met de corporaties apart naar voren te brengen door de gemeenten. Zeker m.b.t. de kwaliteit en de prijs moet bekeken worden in welke termen er samen te werken is. Mijns inziens is ook de locatie een probleem, dat doorslaggevend kan zijn. De corporaties letten op de marktwerking en juist op dat terrein kan de gemeente iets doen. Als een groot gebouw beschikbaar komt in de directe nabijheid van de binnenstad, moet naar zo'n bestemming worden gekeken, waarbij een belangrijke rol kan zijn weggelegd voor woningbouwcorporaties. Ook organisaties voor studentenhuisvesting dienen in deze context te worden betrokken bij de mogelijke herbestemming van vooral grote kantoorcomplexen.


BIJLAGE I




Bovenstaande grafiek geeft de ontwikkeling aan van een bedrijfsterrein in de loop der tijd (ca. 25 jaar). Het geeft een duidelijke bloeiperiode aan, waarna, indien er niet wordt ingegrepen, het snel bergafwaarts gaat.


BIJLAGE II

Planologische Kernbeslissingen

Wet op de Ruimtelijke Ordening

Hoofdstuk II, art. 2a

De ministerraad stelt voor bepaalde aspecten van het ruimtelijk beleid plannen vast. Deze plannen kunnen bestaan uit structuurschetsen, structuurschema's en concrete beleidsbeslissingen, die van belang zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij algemene maatregel van bestuur. De plannen worden voorbereid door Onze Ministers, wie het aangaat, Onze Minister daar onder begrepen. Van het voornemen een zodanig plan voor te bereiden doen Onze Ministers mededeling aan de Staten-Generaal. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening. In zodanig plan wordt vermeld voor welke tijdsduur het geldt.


Bovenstaande wordt aangeduid met de term 'Planologische Kernbeslissing'.